Biohuis: geen maximum aan ruw eiwit in het krachtvoer

Een maximum gehalte aan ruw eiwit in krachtvoeders, zoals minister Schouten voorgesteld is niet acceptabel voor biologische melkveehouders. Dit beleid wordt daarom door de belangenorganisatie Biohuis afgewezen. Flexibiliteit om een rantsoen samen te stellen ten behoeve van een goede effici├źntie in de voerbenutting en voor een gezonde veestapel, moet niet worden beperkt door overheidsmaatregel. Het feitelijke doel van de regeling, om met een lager eiwitgehalte in het totale rantsoen, de NH3-uitstoot te verlagen, wordt door biologische melkveehouders al ruim gehaald. 

Dat wordt bevestigd door de opgestelde kringloopwijzer van Bio-melkveehouders in Noord Nederland. De gemiddelde NH3-uitstoot per ha kwam uit op 38 kg per ha.

3. NH3 uitstoot per ha

De biologische boeren hadden in 2019 gemiddeld 156 gras ruw eiwit in het totale rantsoen. Ook scoorden ze zeer positief op het aandeel eigen geproduceerde eiwit van het eigen bedrijf: ruim 79%. Door een relatief laag bemestingsniveau van max. 170 kg N per ha, is het eiwitaandeel in het gras aanzienlijk lager als bij reguliere bedrijven. Gemiddeld in 2019 was dit 149 gr RE per kg ds.

Daarnaast heeft de biologische melkveehouderij heeft door een integrale en extensieve bedrijfsvoering al een aantoonbaar lage stikstof-bodemoverschot per hectare van 60 kg N per ha. 

1. Stikstofoverschot per ha

De stikstofwerkgroep van Biohuis heeft aanbevelingen opgesteld voor een goed gebiedsgericht beleid voor stikstof. Deze zijn naar het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en alle provincies gestuurd.

Biohuis pleit voor het opstellen van gebiedsplannen in samenspraak met alle gebruikers van een gebied. Daarbij moet er perspectief voor zoveel mogelijk bedrijven geboden worden. Wie dat wil, moet steun krijgen bij omschakeling naar biologische landbouw. Er moet gericht worden omgeschakeld zodat de markt het kan opvangen, oldus Biohuis. Steun zal vooral gegeven moeten worden in de vorm van kennis en structurele voorzieningen in het gebied, en minder via individuele subsidies. Bestaande biologische bedrijven moeten er ook van kunnen profiteren.